28.4.12

Het stenen kindje

Buiten de herberg waar we bleven
In 't oude stadje aan de Rijn
Begon des nachts muziek te beven.
Wij zetten ons, achter 't gordijn,
Met kandelaars op het kozijn:
Reizende muzikanten waren
Aan 't spelen op 't besneeuwde plein,
En bij hen stond een kind te staren -

Maar toen ik nader acht ging geven,
Was het de stenen cherubijn
Die zich, als smeltend losgeheven,
Had vrij gemaakt van de fontein -
De fluit hief in het maanlicht zijn
Roep tussen rits'lende gitaren
En zwol terug in het refrein -
Het kind begon mij aan te staren -

Toen kwam het naar mijn venster zweven:
Ik voelde hoe zijn naakt en klein
Lichaam dicht aan mijn borst gedreven
Sidderde van ontspannen pijn -
Er trilde langs mijn wang een rein
Koud kindermondje, en in mijn haren
Woelde zijn handje - O moeder mijn,
Smeekte 't, en bleef mistroostig staren -

O zoontje in me, o woord ongeschreven,
O vleesloze, o kon ik u baren -
De nood van ongeboren leven
Wreekt gij met dit verwijtend staren.

Martinus Nijhoff (1894 - 1953)
Met dank aan mijn modules Letterkunde