Posts tonen met het label kort verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kort verhaal. Alle posts tonen

7.8.11

In de duinen

   Dat ben ik. Op het shirtje van mijn vriendinnetje, ter hoogte van haar onderste rib, zit een grijze spin. Die spin, dat ben ik. Net als elk grassprietje, elk klontje aarde, elk boomblad, elke boom, elke mier en oorwurm en elk ander wriemelbeest. Als ik mijn hand uitsteek om de lucht te pakken, raak ik mezelf aan.

   Mijn vriendinnetje ligt op haar rug en mijn vriendje boven op haar. Mijn sjaal is paars, zijn trui rood, en het gras groen. “Dat is toch absurd, al die kleuren! En wat zullen mensen die voorbij lopen zeggen als ze ons zo zien liggen? Is het niet eigenlijk absurd, dat wij zo liggen?” roept mijn vriendinnetje uit. Ik zeg: “Het is absurd dat niet meer mensen zo liggen als wij.”

   De wolken zijn ruggegraten die draaien in de hemel. Onze wereld is een vissenkom en wij zijn lieve hippies in een snoepkleurtjesachtige retro film. Als ik door de duinen loop, voel ik de mensen die daar eerder liepen, gisteren of lang, lang geleden. Ik zie wat zij zagen, ik kijk door hun ogen, ik voel hun herinneringen en maak nieuwe herinneringen voor de mensen na mij. Ik ga zitten op een duinrug en ben een squaw die op haar stam wacht. Het geroffel van paardenhoeven voel ik in mijn hart.

   En de hele tijd speelt dit liedje van Clannad door mijn hoofd, vanaf dagen ervoor tot dagen erna:  
And she stooped so low gave me to know / It was mushrooms she was gathering oh / Oh gathering oh / And she stooped so low gave me to know / It was mushrooms she was gathering oh!

 Foto door de auteur, Bakkum, juli 2011

5.11.10

Mijn kleine tante

De geur van Chinees eten-van-om-de-hoek doet me denken aan mijn kleine tante. Mijn kleine tante was al kleiner dan ik vanaf dat ik een jaar of twaalf was. Zij zorgde voor mijn oma, tot mijn oma stierf. Mijn kleine tante had tot die tijd geen leven voor zichzelf, en daarna was ze alleen.

Ik ging vaak uit logeren bij mijn oma en mijn kleine tante. Ik denk dat elk kind dat twee oma’s heeft, deze ook verdeeld in een lieve-oma en een minder-lieve-oma. De moeder van mijn kleine tante was mijn lieve-oma. Zij was erg verdrietig en ziek nadat mijn moeder, haar jongste dochter, overleed. Mijn lieve-oma stierf misschien wel van verdriet.

Ook na de dood van oma logeerde ik geregeld bij mijn kleine tante. Gewoon ook om weg te zijn van huis. Als ik erheen ging met de bus, verheugde ik me op de twintig minuutjes dat ik muziek kon luisteren op m’n walkman. Misschien was dat wel de belangrijkste reden dat ik naar mijn kleine tante ging. Om de muziek in m’n oren even helemaal voor mezelf te hebben.

We gingen naar de stad, en naar de film. Dan eten bij de Mac of beter nog, bij de KFC, dat was echt een uitje toen. Mijn kleine tante praatte veel. Sommige mensen noemden dit zeuren. Ik vond het niet erg, want ik had de gelegenheid om weg te dromen. Bovendien kon ik ook terug praten tegen mijn tante; ik had het graag over de muziek die ik mooi vond en de jongens waarop ik verliefd was, en ze luisterde zonder te oordelen en met een glimlach en een nerveuzige maar liefdevolle knik van haar hoofd.

Wanneer mijn kleine tante jarig was, gingen we met het hele gezin op bezoek, met de auto. Op de tafel in de huiskamer stonden kommetjes met Japanse rijstcrackers en nootjes. We aten Chinees van om de hoek. De bakjes met eten stonden uitgestald op het aanrecht en ons gezelschap verdeelde zich over keukentafel en huiskamer-met-bord-op-schoot. Ik kan me niet meer herinneren wat mijn kleine tante voor cadeautjes van ons kreeg.

Toen ik ouder werd, werden mijn bezoekjes minder. Ik liep stage, had het druk op school en vooral met mezelf, kreeg een vriendje en ging uit huis. Ik had feestjes, liep weer stage, ging werken, daarna studeren, had nog meer feestjes en een boel innerlijke woelingen die me niet altijd toestonden om eventjes op de tram te springen en naar mijn kleine tante te reizen of om zelfs maar de telefoon te pakken en tien minuutjes met haar te babbelen.

Op een dag maakte mijn kleine tante een val in de supermarkt en brak haar heup. Altijd al kwetsbaar en nerveus van aard geweest, maar toch zelfstandig en sterk in haar eenzaamheid, knakte dit ongeluk haar. Nadat ze uit het ziekenhuis kwam, had ze hulp nodig. Ik maakte af en toe haar huis schoon, deed wat boodschapjes. Daarvoor betaalde ze mij. Ik wilde het niet, zij stond erop. Ik voelde me schuldig, maar ik was arm en kon het geld goed gebruiken. Mijn kleine tante liep met krukken door het huis en instrueerde mij terwijl ik de luxaflex poetste en de bovenkanten van haar kasten afsopte.

Mijn kleine tante kreeg een hersenbloeding. Mijn kleine tante werd hulpeloos. Lopen ging niet meer, praten nauwelijks. Ze verhuisde naar een verpleegtehuis. Haar eigen woning raakte ze kwijt. In het verpleegtehuis zat ze in een rolstoel op de zaal, alleen. Ik ging niet vaak bij haar langs. Als ik er wel was, moest ze huilen.

Rond 2000 is mijn kleine tante gestorven. Ik had haar toen al zeker een half jaar niet meer gezien.

Natuurlijk moet ik nog vaak aan mijn kleine tante denken. Ik kan haar stem nog horen in mijn hoofd, haar lachjes door de telefoon. Ik denk aan hoe klein en breekbaar ze eruit zag in haar rolstoel. Dat ik haar vaker had moeten bezoeken, en dat dat nu nooit meer kan.

26.3.10

Een festival-avond

“Mag ik met je zoenen?”
   Ze waren middenin een draaikolk van mensen, stemmen, muziek en lichtjes, en alles draaide rond, maar niet zodat je er duizelig van werd. Het was meer alsof alles, deze hele nacht, om hèn draaide.
   De live muziek was klaar en mensen, die eerst lagen, dwarrelden nu omhoog als blaadjes opgetild door de wind. Maria niet. Ze bleef liggen op haar rug en ging op in het draaien om haar heen, en hoorde Merel’s stem als een veertje tegen haar wang. “Ja,” zei ze met haar ogen dicht en haar handen op haar buik gevouwen. Lui tilde ze haar oogleden een stukje op en zag Merel’s ronde gezicht boven zich, omlijst door een handvol sterren. Ze glimlachte, en toen ze haar ogen weer sloot voelde ze Merel’s lippen – smalle, bleke lippen – op de hare. Naast haar op het kleed zat haar vriendje en ze voelde hem kijken, zijn ogen vastgezogen aan die verstrengeling van meisjeslippen.
   Nu raakten ook hun tongen elkaar en Maria ontvouwde haar handen en bracht ze naar Merel’s haar. Er was sprake van een elastiekje, en al gauw lag dat in één van Merel’s gymjes, die ze had uitgetrapt om op blote voeten door het gras te dansen, toen de band nog speelde.
   Lokken tinkelden zachtjes langs wangen en hals. Maria kwam half overeind en omhelsde haar vriendin. Ze keek even naar haar vriendje en in zijn ogen zag ze de hele zachtheid van hun samenzijn, een soort dekbed zonder begin of einde, groot genoeg voor iedereen.
   Meisjes, dacht ze, meisjes zijn echt heel fijn.
Om hen heen benen. Blote benen, wankele benen, behaarde benen, stijve benen, spillepootjes. De lucht steeg en daalde op het ritme van talloze stemmen en flarden beats. Als je je hand op het gras legde dan voelde je de aarde eronder en het dreunen van alle mensenlevens verzameld op dit veld gedurende die vier gloeiendhete zomerdagen.
   Maria stond op en pakte haar kleed. “Zullen we gaan winkelen?” Buiten het terrein stonden kraampjes met kandelaars, lampen, doeken, hemdjes en wikkelbroeken. Alle kraampjes tolden en drukten hun wezen in haar hart. “Wat ben ik high zeg,” dacht ze. “Ik ook,” zei haar vriendje. Hand in hand keken ze naar Merel, die door een rek met broeken bladerde. Ze hield er één omhoog. “Deze wil ik hebben!” riep ze. Hoewel het donker was, kon Maria zien dat de broek knalblauw was. “Mooi,” mompelde ze. Ze stak haar duim op en keek verwonderd naar de echtheid ervan.        

Amsterdam, maart 2010

15.9.09

Nachtkat



De regen sloeg in zijn gezicht, tegen zijn jas en benen. Hij hield zijn kraag met één hand dicht en stapte door, zijn ogen half dichtgeknepen en zijn hoofd opgeheven. Het was vroeg in de ochtend en donker. De straten waren stil. Hij liep langs hoge verlaten panden, opgestapelde vuilniszakken en auto’s met lekke banden. Een kletsnatte kat schoot pal langs zijn voeten en bleef midden op de weg stilstaan om naar hem om te kijken. “Hey kitty cat,” zei hij zacht. De ogen van de kat blonken en verdwenen.
   Bijna thuis. Nog maar drie huizenblokken, een straat naar links en dan was hij er. Het geklak van zijn hakken kaatste tegen de muren en de straattegels. Hij huiverde; zijn jas was dun en de wind venijnig. In zijn hoofd ontspon zich een droom: een omhelzing, een kus, lippen in zijn hals, vingers langs zijn heupen. Een sigaret aan de keukentafel, wiebelend op de stoel. Niet hoeven vertellen wat er deze nacht allemaal was gebeurd, niet hoeven terugdenken aan harde stemmen, gebonk in en tegen zijn lichaam, het duwen en trekken, de klamheid van kleine kamers en de langsflitsende lichten van verlaten metrostations. Alleen nog maar een walm van rode wijn en sigaretten.

   Schamel licht in de gang, de gammele trap. Opgestapelde post op alle onderste traptreden. De scheur in de muur. Hij opende de deur van het appartement. Bijna onmiddelijk waren daar de omhelzing, de kus, de lippen in zijn hals, de vingers langs zijn heupen. Regendruppels langs zijn voorhoofd en wangen.
   “Heb je het koud? Doe snel je jas uit...”
Hij droogde zich af met de theedoek en ging zitten. Een glas rode wijn werd voor hem neergezet. Zwijgend, samen aan de keukentafel. Handen verstrengeld, een kus tussen zijn knokkels.
   “Nog maar even.”
Hij knikte. Nog maar even. Een sigaret werd hem aangereikt. Hij nam een trek en zakte wat onderuit op de houten stoel. Hij duwde zijn hielen tegen de vloer en wipte de stoel naar achter, zijn blik naar het plafond. Scheuren, afbladderende verf, de vettige lampekap bedekt met stof. Hij rookte zijn sigaret op, liet de wijn rondtollen over zijn tong. “Ik ga douchen.”

   Hij zette de douche aan en kleedde zich uit voor de spiegel die een hele wand bedekte. Knokige kniëeen, potloodbenen. Teennagels die geknipt moesten worden. Kastanjerode tepels.
   Zijn vingertoppen gleden over zijn ribben, hij strekte een arm omhoog en boog hem achter zijn hoofd. Tweeëntwintig jaar en hartverscheurend mooi.
   Hij boog zich naar de spiegel toe en zag een flits van iemand anders in zijn ogen. “Kitty cat.” Hij stapte de douchecabine in, voelde de temperatuur, draaide koud water bij en stapte onder de straal. Ogen dicht, mond open; water vulde zijn mond en met zijn tong en onderkaak duwde hij het er weer uit. In straaltjes liep het over zijn kin en langs zijn hals omlaag, uiteindelijk zijn navel in.

   Met de natte handdoek om zijn middel stapte hij de keuken weer in. Een stoel, een asbak, een glas hergevuld. Hij ging zitten en nam een slok. Onder zijn blote, nog vochtige voeten knarsten kruimels. Stevige armen slingerden zich rond zijn middel, een wang wreef langs zijn oor. Suizend.
   “Kom, we gaan naar bed.”

Naakt, de lakens strak om het lijf gewikkeld, handen ineengestrengeld onder het kussen. Vocht van lippen en zweet, haar dat kriebelt bij zijn ooghoek. Een zucht, en dan nog één. Gevolgd door meer zuchten die de nacht verdrijven. Dan is alles stil.


Amsterdam, september 2008

Neef


“Mooi he,” zei de schoonzus. Amber keek, net als haar broer en schoonzus, naar de trillende maar ongebroken lijn die op het papier verscheen en langzaam een orchidee werd, en nog één, en nog één. Het gezicht van haar neef erboven, de wenkbrauwen samengebreid tot een frons, de joint die uit de mondhoek stak. Iedereen leek even een stille zucht van opluchting te slaken toen het potlood neer werd gelegd. “Mooi.. that’s very beautiful,” zei de schoonzus. De broer knikte en maakte een instemmend geluid. De neef glimlachte even, haalde zijn schouders op. “Nice joint,” zei hij. Hij keek even naar Amber. Amber bevroor.

Haar neef. Aangetrouwde neef. Vorig jaar had ze hem voor het eerst ontmoet, op haar vakantie naar familie in Milaan. Schuchter was hij, net als zij. Hij werkte voor een reclamebureau en kon goed tekenen, net als zij. Als ze toevallig tijdens familie-etentjes naast elkaar zaten zeiden ze niets meer tegen elkaar dan “eet smakelijk” of “wil je mij het zout even aangeven”, maar het broeide. Zij voelde zich zelfbewust, hij gluurde naar haar terwijl hij deed of hij aandachtig naar zijn vrouw of schoonmoeder luisterde of boos uitviel tegen één van zijn twee zoontjes; jochies van twee en vijf die niets anders deden dan jengelen en aandacht vragen.

De hele vakantie, die voornamelijk bestond uit klamme autoritten naar verre familie die ze niet of nauwelijks kende, dacht ze alleen maar aan hem, haar aangetrouwde neef. Ze verwonderde zich erover waarom hij met haar nicht was getrouwd, een mager en nerveus wicht dat haar kinderen achterliet bij een au pair om carrière te kunnen maken bij een grote autodealer, dat de ene na de andere sigaret rookte en elke zin uitsprak met een dreigende ondertoon van hysterie. Haar glimlach was onecht, net als de krullen in haar haar. Maar als Amber zichzelf in de spiegel bekeek voelde ze zich schuldig.

Op een dag nam de neef haar met de auto mee naar zijn werk, een ruim en luxe kantoor even buiten de stad. Hij stelde haar voor aan zijn collega’s, die het meisje met de puntkniëen, platte borstjes en grote bril hoffelijk begroetten maar haar verder geen aandacht schonken.
   Zwijgend liet hij haar zijn ontwerpen zien, en ze liet haar ogen eroverheen glijden zonder dat het echt tot haar doordrong. “Beautiful,” zei ze zachtjes. Ze sprak geen Italiaans.
   Hij bracht haar terug naar het huis van haar tante, waar ze met haar ouders logeerde. Ze zat tegen het portier aangeperst, verlangend naar zijn hand op haar blote been. Hij was vijfentwintig jaar ouder dan zij. Zij was veertien. Hij glimlachte naar haar, zei dat ze er mooi uitzag. Ze bloosde. Met haar hand omklemde ze de deurkruk en verlangde koortsig naar zijn lippen. Ze vroeg zich af wat hij over haar wist, terwijl hij zijn Alfa Romeo manouvreerde door het chaotische verkeer, zijn vingers losjes over de versnellingspook van de wagen gedrapeerd.

Daarna terug in het huis van de tante, haar ouders die haar sommeerden zich om te kleden, een wervelwind van binnenvallende neefjes, nichtjes en achterooms, diner in een sjiek restaurant, blote dijen die tegen de leren zitting van de stoel plakten, ratelende zinnen die radslagen maakten in de avondlucht en braken tegen haar trommelvliezen. Het eten was overdadig en vet. De neef zat ver weg, in het halfduister zag ze zijn ogen glinsteren naar haar, en ze kreeg geen hap naar binnen.
   Ze zag hem niet vaak, die vakantie. Maar ze zoog elk detail in zich op dat ze tussen de bedrijven door over hem te weten kwam, en elke keer als zijn naam over de lippen van een familielid rolde hoopte ze dat ze geen kleur kreeg, hoopte ze dat niemand zag hoe haar lichaam begon te gloeien.
’s Nachts drukte ze een kussen tussen haar benen en achter haar oogleden liet ze elk detail van zijn gezicht voorbijkomen: zijn hoge jukbeenderen, zijn zwarte ogen, zijn volle wenkbrauwen, zijn smalle lippen, de bruine vlekjes op zijn voortanden. Overdag omkoepelde de hitte haar terwijl ze zich loom liet meevoeren in het kielzog van haar luidruchtige familie; bezoekjes hier en daar, onhandig gedoe met handen en voeten tegen neefjes en nichtjes die geen Engels spraken, expres verdwalen in de Dom om even een moment voor haarzelf te hebben.
   Zag ze hem echt, tijdens eeuwigdurende diners of omdat het zijn beurt was om chauffeur te spelen: kijken en wegkijken, zijn hand die per ongeluk expres langs haar blote arm streek, een binnensmonds gemurmeld compliment over een zomerjurk die als een neergedaalde parachute langs haar schouders naar beneden hing. Op het vliegveld toen ze weer terug naar Nederland gingen: haar familie een kwetterende kluwen tranen, beloftes en dramatiek, en hij tilde haar kin op met zijn lange lange duim en wijsvinger, even blikten ze elkaar in de ogen zonder weg te kijken, hun lippen - de zijne droog, de hare onbelemmerd vochtig en smakend naar Amarelli Liquirizia – raakten elkaar, maar toen ze gulzig wilde toehappen draaide hij zijn hoofd opzij, haar kus belandde op zijn stoppelige wang en een piepklein geluidje van frustratie ontsnapte haar keel. Ze kon er niets aan doen, hij ook niet, ze waren wie ze waren. Plotseling moest er opgeschoten worden, het vliegtuig gehaald, brieven en foto’s worden opgestuurd. Haar tante liet haar beloven dat ze haar best zou doen op school en meer zou eten want God, ze was zo mager en met die spillebenen en platte tietjes zou ze nooit een knappe vent aan de haak slaan.
   Half rennend naar de gate, halfhartig troostende woorden tegen haar moeder mompelend, haar hand in de hand van haar vader, blikte ze achterom naar de neef. Zijn hoofd stak nog net boven een veld wild zwaaiende armen uit, hij glimlachte niet want vanaf nu was hij weer helemaal alleen, en hij stak zijn hand op zonder te zwaaien. Ze zag een waas voor haar ogen, ongeduldig trok ze haar hand uit die van haar vader, negeerde haar moeder en tijdens de hele vlucht terug naar huis deed ze of ze sliep maar in haar gedachten duwde ze telkens en telkens weer het gezicht van haar neef tegen de salto’s in haar buik.

En nu - een zomer later - was hij hier, in haar stad. Met de nicht, die nu honderduit in de keuken van haar ouders aan het kletsen was over haar carrière die zo goed liep maar zich ook beklaagde over haar zoontjes die zo onhandelbaar waren, en over haar man - die nietsnut - die zich een promotie door de neus had laten boren, die ’s avonds als hij thuiskwam van werk alleen maar geïnteresseerd was in zappen en op de bank hangen, haar nauwelijks bekeek en de kinderen over zich heen liet lopen.
   Amber was met de neef, haar broer en schoonzus gelijk de stad ingetrokken. Ze waren naar de Wallen geweest, want die wilde de neef zo graag eens zien. En ze hadden wiet gekocht, voor Amber de eerste keer dat ze in een coffeeshop kwam. Ze was stil en trots. Ze waren nog niet alleen geweest en dat zou ook niet gebeuren, maar ze had het broeierige tussen hen weer gevoeld en hij ook.

“Nice joint.”
   Amber hield haar handen tussen de zitting van haar stoel en haar dijen geklemd. Ze boog haar hoofd, keek even naar haar borsten die lichtjes opbolden onder haar wit-neonroze gestreepte shirt, en daarna, zonder haar hoofd op te heffen, naar haar neef. Die tikte de as van zijn joint en lachte breed naar haar.

Later die dag, in de auto, op weg naar familie. Haar moeder achter het stuur, onophoudelijk pratend. Haar vader ernaast. Zij met haar nicht en aangetrouwde neef op de achterbank. Zij zat aan de raamkant, haar nicht in het midden, de neef aan de andere raamkant. Ook haar nicht praatte onophoudelijk. Af en toe wierp vader er op hoge toon iets tussen.
   De arm van de neef rustte losjes op de schouders van de nicht. Maar zijn vingers bewogen zachtjes over Amber’s schouder, raakten af en toe de puntjes van haar haar aan.
   Amber keek naar buiten. Uitgestrekte weilanden, koeien, sloten, boerderijen. Rende ze door zo’n weiland, met haar neef achter haar aan, ze rende weg van en verlangde alleen maar naar die lange vingers van hem die haar zijden omklemd hielden, zijn armen die haar hoog optilden zodat ze het uit kon krijsen en met haar spillepoten kon spartelen. Dit zou nooit gebeuren. Wel zou haar neef spoedig van zijn vrouw gaan scheiden en was dit autotochtje de laatste die ze met elkaar maakten. Ze zouden elkaar bijna vergeten, maar soms, als de hitte eindeloos zinderde elkaar zien in de reflecties van anderen.



Amsterdam, juli 2008