15.9.09

Nachtkat



De regen sloeg in zijn gezicht, tegen zijn jas en benen. Hij hield zijn kraag met één hand dicht en stapte door, zijn ogen half dichtgeknepen en zijn hoofd opgeheven. Het was vroeg in de ochtend en donker. De straten waren stil. Hij liep langs hoge verlaten panden, opgestapelde vuilniszakken en auto’s met lekke banden. Een kletsnatte kat schoot pal langs zijn voeten en bleef midden op de weg stilstaan om naar hem om te kijken. “Hey kitty cat,” zei hij zacht. De ogen van de kat blonken en verdwenen.
   Bijna thuis. Nog maar drie huizenblokken, een straat naar links en dan was hij er. Het geklak van zijn hakken kaatste tegen de muren en de straattegels. Hij huiverde; zijn jas was dun en de wind venijnig. In zijn hoofd ontspon zich een droom: een omhelzing, een kus, lippen in zijn hals, vingers langs zijn heupen. Een sigaret aan de keukentafel, wiebelend op de stoel. Niet hoeven vertellen wat er deze nacht allemaal was gebeurd, niet hoeven terugdenken aan harde stemmen, gebonk in en tegen zijn lichaam, het duwen en trekken, de klamheid van kleine kamers en de langsflitsende lichten van verlaten metrostations. Alleen nog maar een walm van rode wijn en sigaretten.

   Schamel licht in de gang, de gammele trap. Opgestapelde post op alle onderste traptreden. De scheur in de muur. Hij opende de deur van het appartement. Bijna onmiddelijk waren daar de omhelzing, de kus, de lippen in zijn hals, de vingers langs zijn heupen. Regendruppels langs zijn voorhoofd en wangen.
   “Heb je het koud? Doe snel je jas uit...”
Hij droogde zich af met de theedoek en ging zitten. Een glas rode wijn werd voor hem neergezet. Zwijgend, samen aan de keukentafel. Handen verstrengeld, een kus tussen zijn knokkels.
   “Nog maar even.”
Hij knikte. Nog maar even. Een sigaret werd hem aangereikt. Hij nam een trek en zakte wat onderuit op de houten stoel. Hij duwde zijn hielen tegen de vloer en wipte de stoel naar achter, zijn blik naar het plafond. Scheuren, afbladderende verf, de vettige lampekap bedekt met stof. Hij rookte zijn sigaret op, liet de wijn rondtollen over zijn tong. “Ik ga douchen.”

   Hij zette de douche aan en kleedde zich uit voor de spiegel die een hele wand bedekte. Knokige kniëeen, potloodbenen. Teennagels die geknipt moesten worden. Kastanjerode tepels.
   Zijn vingertoppen gleden over zijn ribben, hij strekte een arm omhoog en boog hem achter zijn hoofd. Tweeëntwintig jaar en hartverscheurend mooi.
   Hij boog zich naar de spiegel toe en zag een flits van iemand anders in zijn ogen. “Kitty cat.” Hij stapte de douchecabine in, voelde de temperatuur, draaide koud water bij en stapte onder de straal. Ogen dicht, mond open; water vulde zijn mond en met zijn tong en onderkaak duwde hij het er weer uit. In straaltjes liep het over zijn kin en langs zijn hals omlaag, uiteindelijk zijn navel in.

   Met de natte handdoek om zijn middel stapte hij de keuken weer in. Een stoel, een asbak, een glas hergevuld. Hij ging zitten en nam een slok. Onder zijn blote, nog vochtige voeten knarsten kruimels. Stevige armen slingerden zich rond zijn middel, een wang wreef langs zijn oor. Suizend.
   “Kom, we gaan naar bed.”

Naakt, de lakens strak om het lijf gewikkeld, handen ineengestrengeld onder het kussen. Vocht van lippen en zweet, haar dat kriebelt bij zijn ooghoek. Een zucht, en dan nog één. Gevolgd door meer zuchten die de nacht verdrijven. Dan is alles stil.


Amsterdam, september 2008

Geen opmerkingen:

Een reactie posten