28.4.12

Het stenen kindje

Buiten de herberg waar we bleven
In 't oude stadje aan de Rijn
Begon des nachts muziek te beven.
Wij zetten ons, achter 't gordijn,
Met kandelaars op het kozijn:
Reizende muzikanten waren
Aan 't spelen op 't besneeuwde plein,
En bij hen stond een kind te staren -

Maar toen ik nader acht ging geven,
Was het de stenen cherubijn
Die zich, als smeltend losgeheven,
Had vrij gemaakt van de fontein -
De fluit hief in het maanlicht zijn
Roep tussen rits'lende gitaren
En zwol terug in het refrein -
Het kind begon mij aan te staren -

Toen kwam het naar mijn venster zweven:
Ik voelde hoe zijn naakt en klein
Lichaam dicht aan mijn borst gedreven
Sidderde van ontspannen pijn -
Er trilde langs mijn wang een rein
Koud kindermondje, en in mijn haren
Woelde zijn handje - O moeder mijn,
Smeekte 't, en bleef mistroostig staren -

O zoontje in me, o woord ongeschreven,
O vleesloze, o kon ik u baren -
De nood van ongeboren leven
Wreekt gij met dit verwijtend staren.

Martinus Nijhoff (1894 - 1953)
Met dank aan mijn modules Letterkunde 


7.3.12

Het tuinfeest

De Juni-avond opent een hoog licht
Boven de vijver, maar rond om de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De bomen langzaam hun groen donker dicht.

Wij, aan 't dessert, eenzelvige rebellen,
Ontveizen 't in ons mijmerend gedicht
Om niet, nu 't uur eind'lijk naar weemoed zwicht,
Elkanders kort geluk teleur te stellen.

Ginds, aan de overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht-plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen -

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartussen.

Martinus Nijhoff (1894 - 1953)
Met dank aan mijn modules Letterkunde
 

4.3.12

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel,
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Martinus Nijhoff (1894 - 1953)
Met dank aan mijn modules Letterkunde 

29.12.11

Terugblik op 2011 in films / boeken en muziek: Zo. Klaar!

Dit zegt mijn Facebook:
Blup. Weet je wat, ik doe dit jaar lekker géén eindejaarsoverzicht films/muziek/boeken op blog. De mooiste films vond ik Black Swan, Rundskop en The Fighter. De film Drei van Tykwer vond ik een enorme verademing. Mia Wasikowska is wat mij betreft actrice van het laatste half jaar. Deep End een opgediept pareltje. Enzovoorts. En het mooiste boek vond ik die enorme handdikke pil over de Russische Revolutie van Orlando Figes. Zo. Klaar!

7.12.11

Poëzie in een doos gevonden

CANNES

In een woestijn van zon, dicht langs de zee
staan de platanen in een brede allee;
dorstige herten, plotseling betoverd
en in hun ren naar 't water star gebleven,
het groene lichaam wit gevlekt, hoornen geloverd,
het wit gewei breed opgeheven.

Langslopend, te gezond, te naakt
en door een lichte wijn in een soort droom bewegend,
besef ik plotseling de enig werkelijke zonde:
dat ik door het verwonderlijkste nauw geraakt,
zonder besef door het bestaan gezegend
en door de schadelijkste dingen nauw geschonden,
ver van de werkelijkheid ben weggeraakt.


M. Vasalis, 1947

7.8.11

In het Joods Historisch Museum: Marianne en dada en surrealisme

 Selbstporträt, Berlin 1933

Ruth von Morgen, Berlin 1934

  Auteuil 1929

Annemarie Schwarzenbach, Berlin 1932

Foto expositie van Marianne Breslauer (1909 - 2001) - Onbewaakte momenten, te zien t/m 13 november 2011


Arthur Segal, Woman Reading, 1920

 M.H. Maxy, Nude with Idol, 1924

 Victor Brauner, Group of Men, 1922

 Victor Brauner, To my beloved Sașa Pană, 1930
   
Van dada tot surrealisme - Joodse avant-garde kunstenaars uit Roemenië, te zien t/m 2 oktober 2011.

In de duinen

   Dat ben ik. Op het shirtje van mijn vriendinnetje, ter hoogte van haar onderste rib, zit een grijze spin. Die spin, dat ben ik. Net als elk grassprietje, elk klontje aarde, elk boomblad, elke boom, elke mier en oorwurm en elk ander wriemelbeest. Als ik mijn hand uitsteek om de lucht te pakken, raak ik mezelf aan.

   Mijn vriendinnetje ligt op haar rug en mijn vriendje boven op haar. Mijn sjaal is paars, zijn trui rood, en het gras groen. “Dat is toch absurd, al die kleuren! En wat zullen mensen die voorbij lopen zeggen als ze ons zo zien liggen? Is het niet eigenlijk absurd, dat wij zo liggen?” roept mijn vriendinnetje uit. Ik zeg: “Het is absurd dat niet meer mensen zo liggen als wij.”

   De wolken zijn ruggegraten die draaien in de hemel. Onze wereld is een vissenkom en wij zijn lieve hippies in een snoepkleurtjesachtige retro film. Als ik door de duinen loop, voel ik de mensen die daar eerder liepen, gisteren of lang, lang geleden. Ik zie wat zij zagen, ik kijk door hun ogen, ik voel hun herinneringen en maak nieuwe herinneringen voor de mensen na mij. Ik ga zitten op een duinrug en ben een squaw die op haar stam wacht. Het geroffel van paardenhoeven voel ik in mijn hart.

   En de hele tijd speelt dit liedje van Clannad door mijn hoofd, vanaf dagen ervoor tot dagen erna:  
And she stooped so low gave me to know / It was mushrooms she was gathering oh / Oh gathering oh / And she stooped so low gave me to know / It was mushrooms she was gathering oh!

 Foto door de auteur, Bakkum, juli 2011