9.4.10

Poëzieplaatjesblauwe ogen

Om nog even terug te komen op de boeken van Floortje Zwigtman in mijn post hieronder – die boeken zijn dus geweldig. Ik ben eergister in deel 2 begonnen (nu op blz. 159) en heb bij Sexy Scheltema alvast maar deel 3 gekocht. In totaal rond de 1600 bladzijden vol Victoriaanse romantiek, splattered with detail!
In het begin moest ik erg wennen aan de explosie van bijwoorden, bijvoegelijk naamwoorden en de niet-aflatende stoet aan kleurrijke details, maar eenmaal gewend – wauw! It’s bloody epic!

Zoals gezegd, figureren Wilde en consorten ook in het verhaal. En hoe. Weet je hoe Bosie door de ik-persoon omschreven wordt? Als een “sprookjesprins met poëzieplaatjesblauwe ogen.” En buiten een heleboel andere dingen, was hij dat natuurlijk óók. Punt.

2.4.10

Oh Oscar!

Oscar Fingal O'Flahertie Wills Wilde (Dublin 1854 – Parijs 1900) was mijn eerste Grote Schrijversliefde. Ik ontdekte hem toen ik als 14- à 15-jarige bezeten U2-fan álles over Ierland wilde weten. Dit betekent dat hij naast the Pixies ook mijn meest duurzame Liefde is.
   Anyway, ik lees nu het eerste deel uit de serie Een Groene Bloem; Schijnbewegingen. Het is geschreven door Floortje Zwigtman en het speelt zich af in het Victoriaanse London ten tijde van.. Oscar. Die zelf ook, samen met Bosie, figureert in het boek. Ik vind het trouwens heel knap van Floortje dat ze het Londen van pakweg 1894 zo gedetailleerd kan beschrijven, petje af! Door haar boek wil ik weer alles van Oscar lezen. Maar omdat ik Data niet ben en dus ook geen zes boeken tegelijk kan lezen (niet eens twee) moet ik wachten tot ik dit boek uitheb :(

26.3.10

Een festival-avond

“Mag ik met je zoenen?”
   Ze waren middenin een draaikolk van mensen, stemmen, muziek en lichtjes, en alles draaide rond, maar niet zodat je er duizelig van werd. Het was meer alsof alles, deze hele nacht, om hèn draaide.
   De live muziek was klaar en mensen, die eerst lagen, dwarrelden nu omhoog als blaadjes opgetild door de wind. Maria niet. Ze bleef liggen op haar rug en ging op in het draaien om haar heen, en hoorde Merel’s stem als een veertje tegen haar wang. “Ja,” zei ze met haar ogen dicht en haar handen op haar buik gevouwen. Lui tilde ze haar oogleden een stukje op en zag Merel’s ronde gezicht boven zich, omlijst door een handvol sterren. Ze glimlachte, en toen ze haar ogen weer sloot voelde ze Merel’s lippen – smalle, bleke lippen – op de hare. Naast haar op het kleed zat haar vriendje en ze voelde hem kijken, zijn ogen vastgezogen aan die verstrengeling van meisjeslippen.
   Nu raakten ook hun tongen elkaar en Maria ontvouwde haar handen en bracht ze naar Merel’s haar. Er was sprake van een elastiekje, en al gauw lag dat in één van Merel’s gymjes, die ze had uitgetrapt om op blote voeten door het gras te dansen, toen de band nog speelde.
   Lokken tinkelden zachtjes langs wangen en hals. Maria kwam half overeind en omhelsde haar vriendin. Ze keek even naar haar vriendje en in zijn ogen zag ze de hele zachtheid van hun samenzijn, een soort dekbed zonder begin of einde, groot genoeg voor iedereen.
   Meisjes, dacht ze, meisjes zijn echt heel fijn.
Om hen heen benen. Blote benen, wankele benen, behaarde benen, stijve benen, spillepootjes. De lucht steeg en daalde op het ritme van talloze stemmen en flarden beats. Als je je hand op het gras legde dan voelde je de aarde eronder en het dreunen van alle mensenlevens verzameld op dit veld gedurende die vier gloeiendhete zomerdagen.
   Maria stond op en pakte haar kleed. “Zullen we gaan winkelen?” Buiten het terrein stonden kraampjes met kandelaars, lampen, doeken, hemdjes en wikkelbroeken. Alle kraampjes tolden en drukten hun wezen in haar hart. “Wat ben ik high zeg,” dacht ze. “Ik ook,” zei haar vriendje. Hand in hand keken ze naar Merel, die door een rek met broeken bladerde. Ze hield er één omhoog. “Deze wil ik hebben!” riep ze. Hoewel het donker was, kon Maria zien dat de broek knalblauw was. “Mooi,” mompelde ze. Ze stak haar duim op en keek verwonderd naar de echtheid ervan.        

Amsterdam, maart 2010

20.3.10

Hanif

Ik lees nu Something to tell you van Hanif Kureishi. Ik kan heel lang staren naar de kaft, zo mooi is die, kijk maar:

Ik citeer even een willekeurig stukje:

   Miriam sat beside Henry, opened the box and unwrapped some grass. She offered it to his nose – a nose which had travelled the length and breadth of France in search of wine, with actor pals resilient enough to enjoy his monologues.
   “Against death and authoritarianism there is only one thing,” he said once. “Love?” I suggested. “Culture, I was going to say,” he said. “Far more important. Any clown can fall in love or have sex. But to write a play, paint a Rothko or discover the unconscious – aren’t these extraordinairy feats of imagination, the only negation of the human desire to murder?”
  Now he swooned and his chins wobbled over the simplest thing.
“What d’you feel?” Miriam asked.
“Oh Miriam, it’s your fingers I am admiring.”


Fijn he. Ritme, woordkeuze, dialogen; alles klopt!

Verder qua (schrijf)inspiratie: dansen thuis op 12” hits uit de jaren ’80 en ’90. Yep Yep. Die sfeer, die tijd.

16.2.10

Old Friends / Bookends




Old friends
Old friends
Sat on their park bench like bookends
A newspaper blowin' through the grass
Falls on the round toes of the high shoes of the old friends

Old friends, winter companions, the old men
Lost in their overcoats, waiting for the sun
The sounds of the city sifting through trees
Settles like dust on the shoulders of the old friends

Can you imagine us years from today, sharing a park bench quietly
How terribly strange to be seventy

Old friends, memory brushes the same years, silently sharing the same fears

Time it was, and what a time it was, it was
A time of innocence, a time of confidences
Long ago, it must be, I have a photograph
Preserve your memories, they're all that's left of you

(Simon & Garfunkel, lyrics 1968, film 1977)

27.1.10

The Road Not Taken

Op mijn schrijfblog horen – vind ik vanaf vandaag – niet alleen mijn schrijfsels, maar ook alles dat mij inspireert tot schrijven.

De laatste tijd luister ik ontzettend veel naar Simon & Garfunkel. Dankzij de film Watchmen (prachtig; nog nooit eerder zo’n realistische superheldenfilm gezien) ben ik helemaal into deze hippiemeneren met hemeltergend mooie liedjes. The Sound of Silence, Scarborough Fair/Canticle, The Boxer, echt vre-se-lijk mooi allemaal. En perfect om bij te schrijven over bomen en bos en kou en jong-zijn.

Ik luisterde net naar S&G’s The Dangling Conversation:
And you read your Emily Dickinson 
And I my Robert Frost 
And we note our place with bookmarkers 
That measure what we've lost 
Like a poem poorly written 
We are verses out of rhythm 
Couplets out of rhyme 
In syncopated time 
And the dangling conversation 
And the superficial sighs 
Are the borders of our lives 

Dus ik op zoek naar Robert Frost, die een Amerikaanse dichter blijkt te zijn die leefde van 1874 tot 1963. En vond dit:
The Road Not Taken (1916)
Two roads diverged in a yellow wood, 
And sorry I could not travel both 
And be one traveler, long I stood 
And looked down one as far as I could 
To where it bent in the undergrowth; 

Then took the other, as just as fair, 
And having perhaps the better claim, 
Because it was grassy and wanted wear; 
Though as for that the passing there 
Had worn them really about the same, 

And both that morning equally lay 
In leaves no step had trodden black. 
Oh, I kept the first for another day! 
Yet knowing how way leads on to way, 
I doubted if I should ever come back. 

I shall be telling this with a sigh 
Somewhere ages and ages hence: 
Two roads diverged in a wood, and I— 
I took the one less traveled by, 
And that has made all the difference 



15.9.09

Nachtkat



De regen sloeg in zijn gezicht, tegen zijn jas en benen. Hij hield zijn kraag met één hand dicht en stapte door, zijn ogen half dichtgeknepen en zijn hoofd opgeheven. Het was vroeg in de ochtend en donker. De straten waren stil. Hij liep langs hoge verlaten panden, opgestapelde vuilniszakken en auto’s met lekke banden. Een kletsnatte kat schoot pal langs zijn voeten en bleef midden op de weg stilstaan om naar hem om te kijken. “Hey kitty cat,” zei hij zacht. De ogen van de kat blonken en verdwenen.
   Bijna thuis. Nog maar drie huizenblokken, een straat naar links en dan was hij er. Het geklak van zijn hakken kaatste tegen de muren en de straattegels. Hij huiverde; zijn jas was dun en de wind venijnig. In zijn hoofd ontspon zich een droom: een omhelzing, een kus, lippen in zijn hals, vingers langs zijn heupen. Een sigaret aan de keukentafel, wiebelend op de stoel. Niet hoeven vertellen wat er deze nacht allemaal was gebeurd, niet hoeven terugdenken aan harde stemmen, gebonk in en tegen zijn lichaam, het duwen en trekken, de klamheid van kleine kamers en de langsflitsende lichten van verlaten metrostations. Alleen nog maar een walm van rode wijn en sigaretten.

   Schamel licht in de gang, de gammele trap. Opgestapelde post op alle onderste traptreden. De scheur in de muur. Hij opende de deur van het appartement. Bijna onmiddelijk waren daar de omhelzing, de kus, de lippen in zijn hals, de vingers langs zijn heupen. Regendruppels langs zijn voorhoofd en wangen.
   “Heb je het koud? Doe snel je jas uit...”
Hij droogde zich af met de theedoek en ging zitten. Een glas rode wijn werd voor hem neergezet. Zwijgend, samen aan de keukentafel. Handen verstrengeld, een kus tussen zijn knokkels.
   “Nog maar even.”
Hij knikte. Nog maar even. Een sigaret werd hem aangereikt. Hij nam een trek en zakte wat onderuit op de houten stoel. Hij duwde zijn hielen tegen de vloer en wipte de stoel naar achter, zijn blik naar het plafond. Scheuren, afbladderende verf, de vettige lampekap bedekt met stof. Hij rookte zijn sigaret op, liet de wijn rondtollen over zijn tong. “Ik ga douchen.”

   Hij zette de douche aan en kleedde zich uit voor de spiegel die een hele wand bedekte. Knokige kniëeen, potloodbenen. Teennagels die geknipt moesten worden. Kastanjerode tepels.
   Zijn vingertoppen gleden over zijn ribben, hij strekte een arm omhoog en boog hem achter zijn hoofd. Tweeëntwintig jaar en hartverscheurend mooi.
   Hij boog zich naar de spiegel toe en zag een flits van iemand anders in zijn ogen. “Kitty cat.” Hij stapte de douchecabine in, voelde de temperatuur, draaide koud water bij en stapte onder de straal. Ogen dicht, mond open; water vulde zijn mond en met zijn tong en onderkaak duwde hij het er weer uit. In straaltjes liep het over zijn kin en langs zijn hals omlaag, uiteindelijk zijn navel in.

   Met de natte handdoek om zijn middel stapte hij de keuken weer in. Een stoel, een asbak, een glas hergevuld. Hij ging zitten en nam een slok. Onder zijn blote, nog vochtige voeten knarsten kruimels. Stevige armen slingerden zich rond zijn middel, een wang wreef langs zijn oor. Suizend.
   “Kom, we gaan naar bed.”

Naakt, de lakens strak om het lijf gewikkeld, handen ineengestrengeld onder het kussen. Vocht van lippen en zweet, haar dat kriebelt bij zijn ooghoek. Een zucht, en dan nog één. Gevolgd door meer zuchten die de nacht verdrijven. Dan is alles stil.


Amsterdam, september 2008